Bobby Bare
Bobby Bare is geboren als Robert
Joseph Bare op 7 april 1935 in Ironton, Ohio. Zijn moeder stierf toen hij 5 was,
en zijn vader – ook een muzikant – verdiende niet genoeg om het gezin bij elkaar
te houden, en Bobby moest in een pleeggezin. Bobby werkte op een boerderij toen
hij 15 was. Hij bouwde zelf zijn eerste gitaar, en begon zichzelf gitaar te
leren spelen.
In het midden van de jaren 50 verhuisde hij naar Los Angeles, waar hij wilde
proberen als muzikant zijn brood te gaan verdienen.
In de jaren 50 had Bobby veel moeite om zijn zelf geschreven nummers aan anderen
te slijten. Daarna besloot hij zelf de nummers te gaan opnemen, en hij tekende
een contract bij Capitol waarvoor hij een aantal Rock ‘n Roll getinte nummers opnam,
welke de hitlijsten niet wisten te bereiken. Net voor hij bij de Marine ging,
schreef hij een nummer "The All American Boy", en nam hij een demo op voor zijn
vriend Bill Parsons, die het nummer wilde opnemen. In plaats van de versie van
Bill te gebruiken, besloot de maatschappij Fraternity Records de originele demo
van Bobby uit te brengen. Het nummer kwam op de 2e plaats terecht, maar er was
een enorme fout gemaakt. Op het platenlabel stond namelijk Bill Parsons als
uitvoerend artiest.
Zijn doorbraak op countrygebied kwam toen Chet Atkins - destijds RCA topman -
hem een contract aanbood. Zijn eerste single voor RCA kwam uit in 1962 en droeg
de titel "Shame On Me ". Dit werd geen hit. Zijn tweede opname “Detroit City”
werd een top 10 hit, zowel in de country als in de poplijsten. in 1962.
Daarna volgde een hele serie hits, met als uitschieters "500 Miles Away from
Home " (gebaseerd op een folknummer, geschreven door Hedy West "500 Miles ") en
het door Ian Tyson geschreven "Four Strong Winds ".
Ook nam hij een groot aantal nummers op met Skeeter Davis, Norma Jean en Liz
Anderson.
In 1968 nam hij een album op met de Engelse formatie The Hillsiders, en in 1969 had hij nog een nummer 5 hit met het door Tom T. Hall geschreven "(Margie's At) The Lincoln Park Inn ".
In 1970 verlaat hij RCA en tekent een contract bij Mercury, waar hij direct een top 3 hit scoort met "How I Got To Memphis " , gevolgd door 2 top 10 hits met Kris Kristofferson composities "Come Sundown " uit 1971 en "Please Don't Tell Me How The Story Ends " uit hetzelfde jaar. In 1972 scoort hij nog een top 12 hit met een cover van de hit van Dr. Hook and the Medicine Show's "Sylvia's Mother ", geschreven door Shel Silverstein.
In 1973 besluit Bobby Bare terug te gaan naar RCA, en ook daar is de eerste opname direct raak. Het door Billy Joe Shaver's "Ride Me Down Easy " bereikt net de top 10 niet.
Bobby Bare begin Live-albums uit te brengen, welke hij voor een zeer select gezelschap opneemt. Een van de opnames "Marie Laveau, " bereikt de eerste plaats in 1974., en blijkt later zijn enige nummer 1 hit te zijn. Voor dit nummer werkt hij samen met zijn vrienden Shel Silverstein en Baxter Taylor, die voor dit nummer een BMI Award ontvangen 1975.
Silverstein heeft meer nummers voor Bobby Bare geschreven, en ook voor andere nummers – zoals "Daddy What If " dat Bobby opneemt voor zijn 5 jarige zoon – wordt Silverstein genomineerd voor een divers aantal awards.
“Daddy what if” stoot in een keer door naar de nummer 2 positie van de countrylijsten. Het album, "Lullabyes, Legends and Lies " wordt zijn meest succesvolle album, en hiermee bereikt hij ook weer de popliefhebbers.
Hierna is het afgelopen met het grote succes. Wel worden zijn albums – zoals het album dat hij opneemt met zijn familie "Singin' in The Kitchen " – nog redelijk goed verkocht.
Zijn grootste “hits” in de komende periode zijn "Alimony " , "The Winner " , en "Drop Kick Me Jesus (Through The Goalposts Of Life) ", waarvoor hij nog een Grammy Award nominatie zou krijgen.
In 1978 tekent hij bij Columbia Records, maar ook daar weten zijn singles niet de top 10 te bereiken. Maar singles als "Sleep Tight Good Night Man ", en albums als "Bare " en "Sleeper Wherever I Fall " zorgen er wel voor dat hij in de belangstelling blijft. In 1979 helpt hij Roseanne Cash om door te breken als hij met haar het duet "No Memories Hangin' Round " opneemt. Dit nummer weet de top 20 te bereiken.
In 1980 bereikt hij bijna de top 10 met de single "Numbers ". Dit nummer is afkomstig van het album "Down and Dirty " waarop Bobby Bare begint te lonken naar de Southern Rock. Deze stijl zet hij door op de opvolger "Drunk and Crazy ", maar ook deze verandering van stijl brengt hem niet het gewenste succes.
In 1981 Neemt Bobby onder leiding van Rodney Crowell het album "As Is " uit, en hiermee keert hij weer terug naar de Country.
Ook in de jaren 80 weet Bobby nog regelmatig de hitlijsten te bereiken, met nummers als "It's A Dirty Job ", een duet met Lacy J. Dalton.
Bobby Bare probeert in die jaren ook als acteur zijn brood te verdienen, maar verder dan enkele kleine bijrollen komt hij niet, en hij besluit muzikant te blijven.
Van 1983 tot 1988 presenteert hij het programma Bobby Bare and Friends op The Nashville Network, waarbij hij zijn gasten intervieuwt voor zij hun hits gaan zingen.
In 1985 tekent Bobby bij EMI America Records, maar ook daar worden zijn platen minder goed verkocht dan gewenst.
In 1998 begint hij samen met Jerry Reed, Mel Tillis en Waylon Jennings de formative Old Dogs.
In de bijna 50 jaar dat Bobby Bare muziek maakt, zijn er een aantal zaken die opvallen;
- Er wordt gezegd dat hij er verantwoordelijk voor is dat Waylon Jennnings zijn eerste platencontract kreeg bij RCA
- Hij was de eerste die ging samenwerken met tekstschrijvers die toen nog onbekend waren, maar later ruim hun sporen zouden verdienen. Hieronder zijn ondermeer Jack Clement, Harlan Howard, Billy Joe Shaver, Mickey Newbury, Tom T. Hall, Shel Silverstein, Baxter Taylor en Kris Kristofferson.
In 2006 brengt hij voor het eerst sinds 20 jaar weer een album uit The Moon Was Blue. Dit album is geproduceerd door zijn zoon Bobby Bare Jr.
laatste wijziging januari 2010