Chet Atkins

chetatkins Chester Burton "Chet" Atkins is geboren op 20 juni 1924, en overleden op 30 juni 2001. Hij geldt als een van de meest invloedrijke gitaristen en producenten uit de geschiedenis van de muziek. Zijn manier van gitaarspelen is een mengeling van invloeden die hij heeft opgedaan bij het kijken en luisteren naar o.m. Merle Travis, Django Reinhardt, George Barnes en vooral Les Paul. Dit bezorgde hem wereldwijd een grote schare bewonderaars zowel binnen als buiten de countrymuziek Chet Atkins produceerde platen voor onder andere Perry Como, Elvis Presley, Eddy Arnold, Don Gibson, Jim Reeves, Jerry Reed, Skeeter Davis, Connie Smith en Waylon Jennings.


Samen met Owen Bradley is hij het brein achter de zoete stijl countrymuziek die later bekend zou worden als The Nashville sound.
Hij is geboren op 20 juni 1924 in Lutrell TN, waar hij opgroeide met zijn moeder, twee broers en een zuster waarvan Chet de jongste was. Zijn ouders gingen scheiden toen hij zes jaar was. Hij begon muziek te spelen op de ukelele, maar toen hij negen was ging hij gitaar spelen. Volgens zijn biografie uit 1974 “Wij en iedereen om ons heen was zo arm, dat we al in de jaren 40 leefden voor we er erg in hadden dat er een recessie was geweest.”

Door zijn slechte gezondheid – hij leed aan een ernstige vorm van astma – werd hij gedwongen om bij zijn vader in Georgia te gaan wonen. Door zijn ziekte moest hij regelmatig rechtop zitten proberen te slapen, omdat hij dan vrij kon ademen. In deze nachten speelde hij zichzelf in slaap op zijn gitaar. Deze gewoonte zou hij zijn hele leven volhouden.

Hij vervolmaakte zijn manier van spelen op de middelbare school. Hij speelde daarbij graag in de toiletten omdat die de beste akoestiek hadden.
Chet Atkins had geen echte eigen manier van gitaarspelen, tot hij in 1939 – hij woonde nog steeds in Georgia – Merle Travis hoorde spelen op de radio. Deze eerste muzikale kennismaking met Merle Travis was van grote invloed op zijn gitaarspel. Vanaf dat moment speelde hij namelijk met 3 vingers de melodie, en gebruikte zijn duim voor de bassnaar. Het resultaat was zijn eigen zeer complexe geluid.

In 1942 ging hij van school, en begon hij bij WNOX-AM radio in Knoxville. Dar speelde hij viool en gitaar in een show rond zanger Bill Carlisle en komiek Archie Campbell. Ook maakte hij deel uit van het huisorkest van het station The "Dixieland Swingsters" een klein comboi. Na drie jaar ging hij naar een ander radiostation WLW-AM in Cincinnati, Ohio, toevallig of niet, maar wel het radiostation waar Merle Travis eerder had gewerkt.
Hij deed auditie voor de band van Red Foley, die op dat moment bezig was om zijn leidende positie bij WLS-AM's National Barn Dance in te ruilen voor Grand Ole Opry. Als lid van de band rond Red Foley, maakte Chet Atkins in 1946 zijn debuut in de Opry. Datzelfde jaar bracht hij zijn eerste plaat uit "Guitar Blues", maar zonder al te veel succes.

Terwijl hij aan het werk was bij een westernband in Denver, Colorado kreeg hij een contract aangeboden door RCA Victor. Zijn eerste opnames uit 1947 verkochten bijna niet.
In 1949 voegde hij zich bij de band Mother Maybelle and the Carter Sisters. Dit uitvloeisel van The Carter Family bestond ondermeer uit moeder Maybelle Carter en haar dochters June, Helen and Anita. Al snel trokken ze de aandacht van de Opry, en de groep verhuisde in zijn geheel naar Nashville. Vanaf dat moment werkte Chet veelal als sessiemuzikant, zowel voor WSM-AM als de Opry.
Ondanks dat hij nog niet veel succes had bij RCA, begon zijn ster te rijzen. Hij begon als sessie-assistent bij Steve Sholes (toenmalig directeur van RCA), maar al snel kreeg hij de leiding over de sessiemuzikanten.

Ook bracht hij weer eigen singles uit. De eerste "Mr. Sandman," werd al snel opgevolgd door "Silver Bell", een duet met Hank Snow. Ook zijn albums werden populair, en in de zomer 1956 maakte hij zijn TV-debuut bij The Eddy Arnold Show .

Naast het opnemen, tekende hij een contract met Gretsch als ontwerper van elektrische gitaren. Tussen 1955 en 1980 zou deze maatschappij een speciale Chet Atkins lijn op de markt brengen. Ook werd hij directeur van de Nashvillevestiging van RCA. Steve Sholes ging zich namelijk meer bezig houden met de popmuziek, vooral als gevolg van het succes van Elvis Presley. Onder leiding van Chet kwam de befaamde RCA Studio B tot stand. De eerste studio die alleen werd gebouwd voor opnames op de nu zo beroemde Music Row.

De countrymuziek werd als gevolg van de opkomst van de Rock and Roll minder verkocht, en Chet ging samen met Owen Bradley op zoek naar een nieuwe stijl van countrymuziek. Uiteindelijk resulteerde dit in The Nashville Sound .
Zo gebruikte Chet Atkins the Jordanaires en een ritmesectie in opnames van Jim Reeves ("Four Walls" en "He'll Have to Go") en Don Gibson ("Oh Lonesome Me" en "Blue Blue Day”). Het toen nog rare fenomeen van crossover hit werd vanaf dat moment meer algemeen.

Zijn eigen opnames werden steeds meer een mengelmoes van country met pop of jazz-invloeden. Vaak nam hij de ritmetracks in de studio op, maar de solotracks thuis in zijn luie stoel. In deze periode werd hij bekend als Mister Guitar (ook de titel van een van zijn albums).
Voor zijn mentor Sholes stierf in 1968 had Chet Atkins het al gebracht tot vice president of RCA's country division. Hij was verantwoordelijk voor het aantrekken en doorbreken van grote namen als Waylon Jennings, Willie Nelson, Connie Smith, Bobby Bare, Dolly Parton, Jerry Reed en John Hartford voor het RCAlabel in de jaren 60, en had inmiddels ontelbare anderen geholpen met tips.
Ook is hij verantwoordelijk voor de doorbraak van de eerste zwarte countryzanger Charley Pride. Hiermee streek hij tegen de haren in van de Civil Rights Movement die op dat moment in het zuiden fel aan het strijden was tegen de zwarten.

Zijn grootste solohit had Chet Atkins in 1965 met "Yakety Axe" , een variatie op de hit van zijn vriend de saxophonist Boots Randolph "Yakety Sax". Hij trad in die dagen zelden op, en moest regelmatig een dele van zijn werd bij RCA overdragen aan zijn collega’s Bob Ferguson en Felton Jarvis.
In de jaen 70 raakte Chet Atkins overspannen van het vele werk en de lange dagen die hij maakte. Hij besloot minder te gaan produceren, maar had nog wel regelmatig succes zoals met Perry Como’s "And I Love You So". Hij ging wel weer meer zelf opnemen, zoals de albums met Jerry Reed. In 1973 werd hij getroffen door kanker, en dit bracht hem ertoe zijn rol bij RCA nader te beschouwen, en hij besloot minder voor RCA te gaan doen, en meer tijd te gaan besteden aan zijn eerste liefde, het gitaar spelen.
Aan het eind van de jaren 70 besloot Atkins te stoppen als producer, en na een ruzie besloot hij RCA helemaal te verlaten, en hij tekende in 1982 een contract bij Colombia Records. In deze periode stopte hij ook de samenwerking met Gretch en ging hij gitaren ontwerpen voor Gibson. In 1983 bracht hij zijn eerste album uit bij Columbia Records.
Zijn albums bij Colombia bestaan hoofdzakelijk uit nummers met een sterke jazz-invloed. Dit zou gedurende de jaren 80 niet veranderen. In 1991 werd hij benaderd door een vriend Roger C. Field die hem voorstelde een album op te nemen met countryzangeres Suzy Bogguss. Chet ging hier op in, en hij was weer terug bij de countrymuziek.

Daarna nam hij nog meer countryalbums op met andere artiesten, zoals Mark Knopfler en ook weer met Jerry Reed.
Chet Atkins heft vele awards ontvangen, waaronder veertien Grammy Awards en negen Country Music Association Instrumentalist of the Year awards. In 1993 mocht hij de Grammy Lifetime Achievement Award in ontvangst nemen. Van Billboard magazine ontving hij hun Century Award, volgens eigen zeggen hun "highest honor for distinguished creative achievement" in December 1997.

Zijn invloed op andere gitaristen op velerlei gebieden is niet te beschrijven.
Ondanks dat hij in de jaren 90 vaker optrad, ging zijn gezondheid achteruit. Zeker toen de kanker terugkwam.
Hij stierf op 30 juni 2001 in zijn huis in Nashville.

In 2002 is hij postuum opgenomen in de Rock and Roll Hall of Fame. Zijn benoeming werd gepresenteerd door Marty Stuart en Brian Setzer en in ontvangst genomen door zijn kleinzoon Jonathan Russell. Het jaar erop werd hij door de CMT op nummer 28 geplaatst van CMT's 40 Greatest Men of Country Music.
laatste wijziging januari 2010