Everly Brothers

   The Everly Brothers bestaan uit Don Everly ( geboren als Isaac Donald Everly op 1 februari 1937 in Brownie, Muhlenberg County, Kentucky) en Phil Everly (geboren als Phillip Everly op 19 januari 1939 in Chicago, Illinois).

Hun vader Ike was een begenadigd muzikant die samen met Merle Travis, Mose Rager en Kennedy Jones is geëerd bij het bouwen van de The Four Legends Fountain in Drakesboro, Kentucky. Ike Everly had ondermeer shows op KMA en KFNF in Shenandoah, Iowa, in de jaren 40, samen met zijn vrouw Margaret en hun twee nog jonge kinderen. In deze shows lieten de kinderen voor het eerst horen waartoe zij in staat waren.

De familie zong samen voor de radio en tijdens optredens onder de naam Everly Family. De beide broers groeiden vooral op in Shenandoah. Het huis waarin zij woonden is gerestaureerd en is in het voorjaar van 2009 overgedragen aan de Shenandoah Historical Society, die het zal gaan inrichten als Everly museum.

De broers spelen beiden gitaar, en zongen in een bijna perfecte harmonie, die al snel hun handelsmerk zou worden. In bijna alle Everly-opnames zing Don de lagere opnames, terwijl Phil de hogere partijen voor zijn rekening neemt. Don neemt de meeste solo’s – zoals de coupletten in “Bye Bye Love” - voor zijn rekening. Een van de weinige uitzonderingen is het nummer "It's All Over" uit 1965 waarin Phil de solo voor zijn rekening neemt. Deze wijze van zingen had grote invloed op andere artiesten uit die periode zoals The Beatles, The Beach Boys, en Simon & Garfunkel die hun eigen stijl ontwikkelden door het brengen van Everly covers.

Volgens hun vader Ike begon Don met hem te werken toen Don pas 7 jaar was tijdens een van de uitzendingen van the Saturday radio show in 1945. Al snel kwamen er zoveel reacties dat het programma van Ike, Don’s programma zou worden. Phil was toen net 5 en nog te jong om mee te zingen.

Lou Black – inmiddels overladen – kwam over van het radiostation KMA, horde iedereen aan en besloot dat Don betaald moest gaan worden. Vanaf dat moment kreeg Don 5$ per week. Omdat Phil nog te jong was, besloot Don alle inkomsten met hem te delen. Niet alleen van zijn gage, maar ook die van foto’s welke voor 50c verkocht werden.

Al snel voegde ook Phil zich bij de optredende familie.

Na korte tijd werd besloten dat de broers als duo moesten doorgaan. Een vriend van de familie - Chet Atkins - wierp zich op als mentor en begeleider. Ondanks zijn banden met RCA Records, besloot hij dat het voor de broers beter wa een contract te tekenen bij Columbia Records. Het was toen 1956, en hun eerste single voor Colombia "Keep A' Lovin' Me" flopte, en werd het contract door Columbia ontbonden.

Chet Atkins verloor niet zijn vertrouwen in de broers, en stelde hun voor aanWesley Rose van Acuff-Rose music publishers. Die was zeer onder de indruk van de broers, en van hun schrijftalent. Hij bood ze een schrijverscontract aan, en beloofde ze dat als zij bij hem tekenden, hij voor een platencontract zou zorgen. Eind 1956 tekenden ze bij Acuff-Rose, en begin 1957 tekenden ze bij Archie Bleyer die bezig was een nieuwe platenmaatschappij Cadence Recordsop te bouwen. In februari 1957 gingen zijvoor het eerst de studio in.

De eerste single voor Cadence "Bye Bye Love" was afgewezen door meer dan 30 artiesten (waaronder Elvis Presley) die het nummer aangeboden hadden gekregen, maar de Everlys hadden zoveel vertrouwen in dat nummer dat besloten het op te nemen. Het nummer bereikte de 2e plaats in hitlijsten, achter Elvis Presley's "Let Me Be Your Teddy Bear", maar bereikte de eerste plaats in de country en R&Blijsten. Dit lied – geschreven door het echtpaar Felice en Boudleaux Bryant – werd de eerste Everly Brothers' million-seller.

Ze werden de sterren van het Cadencelabel, en bleven samenwerken met de Bryants. Dit resulteerde in enorme hist in Amerika en Engeland, waarvan "Wake Up Little Susie", "All I Have to Do Is Dream", "Bird Dog" en "Problems" – allen geschreven door de Bryant – de grootste waren. Maar ook met hun eigen nummers – zoals het door Don geschreven "('Til) I Kissed You" ( #4 in de hitlijsten) – hadden ze veel succes.

   In de jaren 1957 en 1958 tourden ze met Buddy Holly. Volgens de schrijver van de biografie van Buddy Holly - Philip Norman – waren zij verantwoordelijk voor de verandering van stijl van Buddy Holly en the Crickets. Voor de tour liepen ze vooral in spijkerbroeken en t-shirts, na die tijd droegen ook zij de Ivy League kleding die de Everlys droegen. Don herrinnert zich Buddy vooral als de tekstschrijver die 'Wishing' voor hen schreef "We were all from the South, we'd started in country music" zei Phil Everly. Phil Everly was een van de dragers van de kist van Buddy Holly tijdens diens begrafenis in februari 1959. Don was niet aanwezig, hij was zo onder de indruk van het overlijden dat hij dagenlang zijn bed niet uit kon komen.

Na drie jaar voor Cadence te hebben opgenomen, tekenden zij in 1960 een tienjarig contract bij Warner Bros. Records.Ook bij WB bleven zij hits scoren. Hun eerste hit was het door hun zelf geschreven "Cathy's Clown" waarvan 8 miljoen exemplaren verkocht werden, achteraf hun best verkochte opname aller tijden.

Nadien volgde een serie grote hits bij WB zoals"So Sad (To Watch Good Love Go Bad)" (1960), "Walk Right Back" (1961), "Crying In The Rain" (1962), en "That's Old Fashioned" (1962) ). Van 1960 tot 1962 bracht ook Cadence Records nog nummers van de Everlys uit die al eerder waren opgenomen. Hieronder ook hun top-10 hit "When Will I Be Loved" (geschreven door Phil) en het top 40 succes "Like Strangers".

Kort na het tekenen bij Warner Brothers braken de Everlys met hun manager Wesley Rose. Die zorgde ervoor dat zij geen opnames meer mochten uitbrengen van schrijvers die bij Acuff-Rose music publishing company aangesloten waren. Dit had tot gevolg dat zij geen opnames meer mochten uitbrengen van de Bryants, maar ook niet van hunzelf, omdat zij als schrijvers nog verbonden waren aan Acuff-Rose. Dit geschil zou zich voortslepen tot 1964. Daarna konden zij hun eigen composities weer opnemen, net als de composities van de Bryants.

Omdat zij geen beroep konden doen op hun eigen materiaal en dat van de Bryants, namen de Everlys in die periode alleen maar nummers van anderen op. Hun enige top 10 hit uit die tijd was "That's Old Fashioned" uit 1962. Ook het gegeven dat zij in dienst moesten bij het United States Marine Corps in November 1961 zorgde ervoor dat zij uit de spotlights verdwenen. Een van de weinige optredens uit die tijd was tijdens de Ed Sullivan Show waar zij "Jezebel" en "Crying In The Rain" vertolkten.

Na hun diensttijd pakten zij de muzikale carriere weer op, maar het grote success bleef uit. In de jaren tot 1970 brachten zij 27 singles uit, maar het succes in de hitlijsten was gering. Slechts 3 opnames bereikten de top 100, en geen van allen kwam hoger dan een 31e plaats. De eerste twee albums voor Warner (in 1960 en 1961) waren top 10 hits, na 1963 bereikte alleen het album uit 1965 “Beat & Soul”de album top 200 (hoogste positie 141.)

Vanaf dat moment ging het achteruit met de Everlys. Beiden gebruikten regelmatig drugs, maar vooral Don was zwaar verslaafs aan Ritalin wat nog meer ellende veroorzaakte. Deze verslaving was er ook voor verantwoordelijk dat Don de tournee in Engeland moest afbreken waarna Phil deze moest afmaken met Joey Page, die Don verving. Don werd in Amerika opgenomen in een afkickkliniek om van zijn verslaving af te komen.

Ook in 1965 kwam de muziek van de Everlys onder druk te staan van een andere muziekstijl, die van de British Invasion. Deze muziekstroom werd aangevoerd door de Beatles die de muziek uit de jaren 50 deden vergeten. Niet allen de Everlys werden hier de dupe van, maar ook bekende acts als Dion and the Belmonts, The Shirelles en Frankie Avalon.

Mocht hun populariteit in de US achteruitgaan, in vooral Engeland en Canada bleven zij mateloos populair, met ook in de jaren 1967 en 1968 nog top 10 hits in beide landen. Het uit 1966 stammende album Two Yanks in England werd in Engeland opgenomen, met als backing-groep een formatie die ook een groot deel van de nummers schreef: The Hollies.

Aan het eind van de jaren 60 keerden de Everlys terug naar hun countryroots met het album Roots. Dit album is volgens de critice het meest sprekende voorbeeld van hun kwaliteiten.

Maar aan het eind van de jaren 60 was het gedaan met de successen, en in 1970 werd hun aflopende contract bij Warner Bros niet meer verlengd. Wel vervingen zij in 1970 Johnny Cash als presentator in diens show toen hij met vakantie was.

In 1970 bracht Don zijn eerste solo-album uit, maar zonder succes. In 1971 gingen ze weer optreden en tekenden een contract bij RCA, waar ze nog twee - niet succesvolle - albums uitbrachten.

Hun onderlinge relatie werd steeds slechter, en tijdens een concert in het John Wayne Theater op Knott's Berry Farm in Buena Park, California, op 14 juli 1973 barste de bom.
Midden in de tweede show - er waren er drie gepland - kwam hun manager de buhne op en stopte de show. Hij sprak het publiek toe en vertelde dat hij kwaad was vanwege de slechte prestatie van Don. Dit was des te schrijnender omdat vooraf al was aangekondigd dat dit hun laatste optredens zouden zijn en de zaal vol zat met familie, vrienden, bekenden en collega's.
Na een aantal vergeefse pogingen van Phil om de show toch door te laten gaan, werd Phil enorm kwaad, gooide zijn gitaar neer en verliet de buhne en het gebouw, zijn vrouw achter zich aan sleurend. Hierdoor moest Don alleen het concert afmaken. Tijdens dit concert maakte hij bekend dat de breuk nu definitief was, maar dat "The Everly Brothers died ten years ago".

Na de breuk zouden Don en Phil 10 jaar niet meer met elkaar praten, en zagen zij elkaar slechts een maal, op de begrafenis van hun vader in 1975. Tot op de dag van vandaag spreken zij niet over de breuk van 10 jaar, anders dan het commentaar te geven dat deze periode nodig was om ouder en wijzer te worden.

Ieder voor zich werkte aan een solo-carriere. Phil had hiermee minder succes dan Don die incidenteel nog een kleine hit scoorde. Daarnaast had hij nog wat succes met zijn band Dead Cowboys en speelde hij met Albert Lee.

Phil nam minder platen op en had geen succes tot het begin van de jaren 80. Wel schreef hij succesvolle nummers voor anderen zoals "Don't Say You Don't Love Me No More" uit Clint Eastwood's film " Every Which Way But Loose " in 1978. Phil zing dit nummer in duet met Sondra Locke. Ook schreef hij "One Too Many Women In Your Life" voor het vervolg "Any Which Way You Can" uit 1980. In deze film is hij te zien in de band achter zangeres Sondra tijdens haar optreden.

In 1983 had Phil opeens weer succes in Engeland met het album "Phil Everly" dat hij voornamelijk in London opnam. Hierop wordt hij bijgestaand door Dire Straits gitarist Mark Knopfler, Rockpile-drummer Terry Williams, en keyboardspeler Pete Wingfield. Het nummer "She Means Nothing To Me" - geschreven door John David Williams met Cliff Richard als tweede solist - werd een top 10 hit in Engeland, en ook de opvolger "Louise" bereikte in 1983 de top 50.

Later in 1983 kwamen de broers weer bij elkaar. Hun Reunion-concert op 23 sdeptember 1983 was georganiseerd door Albert Lee, die ook optrad als orkestleider. Het concert werd opgenomen, en zowel de LP als de video werden een groot succes.

ook gingen de broers voor het eerst sinds jaren weer samen de studio in om daar onder leiding van Dave Edmunds het album "EB84" op te nemen. De single die voorafgaand aan het album uitkwam " On the Wings of a Nightingale" - geschreven door Paul McCartney - werd een hit en betekende hun terugkeer in zowel de Engelse als Amerikaanse hitlijsten.

In 1986 kwam het album "Born Yesterday" uit. De single met dezelfde titel bereikte de countryhitlijsten. Het zou hun tot nu toe laatste notering zijn in de countrylijsten. In die tijd werden de Everlys op de buhne regelmatig bijgestaan door Don's zoon Edan Everly. Ook zouden de broers de backing-vocals doen op de titelsong van het album Graceland van Paul Simon.

Ofschoon de broers geen albums meer hebben gemaakt sinds 1989 toen "Some Hearts" uitkwam , treden ze nog steeds op.

Ook voor de reunie traden beiden vaak op anderen, dan wel waren ze op andere albums te horen. Soms op de voorgrond, soms op de achtergrond. Vooral Phil werkte veel samen met anderen, zoals in 1994 toen hij met Cliff Richard "All I Have to Do Is Dream" opnieuw opnam en daar een Engelse hit mee scoorde.

In 2006 zong Phil samen met Vince Gill "Sweet Little Corrina" op diens album "These Days." Ook is hij te horen op het album van J.D. Souther " You're Only Lonely."

In 1979 is Don te horen op het album "Blue Kentucky Girl" van Emmylou Harris, waarop hij samen met haar "Everytime You Leave" vertolkt.

In 1999 traden Don Everly en zijn zoon EdanEverly op als The Everly Brothers tijdens een benefietconcert voor de slachtoffers van de watersramp in Kentucky.

In 2004 kwam er een verzamelalbum uit "Country Classics". De nummers hierop zijn eerder opgenomen in de periode 1972 en 1985.

Wetenswaardigheden:

The Everly Brothers hadden 26 Billboard Top 40 singles and 35 Billboard Top 100 singles. Ze hebben nog steeds het record voor de meeste top 100 noteringen door een duo. Alleen voor wat betreft de top 40 noteringen moeten ze Hall & Oates voor laten gaan, die 29 noteringen hadden in de periode 1976 - 1990.

In 1986 zijn de Everlys opgenomen in de Rock and Roll Hall of Fame. Tijdens de ceremonie verklapte Neil Young dat hij bij iedere groep waar hij in had gezeten had geprobeerd de stijl van de Everlys te benaderen, maar dit hem nooit gelukt was.

In 1997 mochten zij een Grammy Lifetime Achievement Award in ontvangst nemen. In 2001 werden zij opgenomen in de Country Music Hall of Fame en in 2004 in de Vocal Group Hall of Fame . Hun pionierswerk op het gebied van de muziek bezorgde ze ook nog een plaats in de Rockabilly Hall of Fame. The Everly Brothers hebben een ster op de Hollywood Walk of Fame bij 7000 Hollywood Blvd.

In 2004 plaatste Rolling Stone Magazine The EverlyBrothers op plaats 33 van de 100 Grootste artiesten aller tijden, ook staan zij op de 43e plaats van de UK Best selling singles artists of all time.

De door hun geschreven nummers "Till I Kissed You" (Don) en "Cathy's Clown" (Don en Phil waren ook hits voor Reba McEntire terwijl Linda Ronstadt (met de Everlys in het koor) een grote hit had met "When Will I Be Loved" (Phil).

Ondanks dat ze hebben aangekondigd met pensioen te zijn, treden de broers nog regelmatig op. In 2003 en 2004 gingen ze met Simon en Garfunkel mee als support-act tijdens hun Simon and Garfunkel reunion tour. Als eerbetoon aan de Everlys openden Simon en Garfunkel hun show, waarna zij de Everlys op de buhne riepen.

Tijdens Labor Day Weekend 1988 in Central City Kentucky begonnen The Everly Brothers een Homecoming event om zo geld in te zamelen voor een fonds voor de Muhlenberg County students. Dit Homecoming Event zou 14 jaar gehouden worden.

Don en Phil hebben in 2005 nog een aantal optredens gedaan in Engeland.

Ook in 2007 brengt Alison Krauss samen met ex-Led Zeppelinzanger Robert Plant het album "Raising Sand" uit, met daarop het oude Everly's succes "Gone, Gone, Gone" geproduceerd door T-Bone Burnett.

Don Everly's dochter Erin Everly is kort getrouwd geweest met de zanger van Guns N' Roses, Axl Rose. Red Hot Chili Peppers zanger Anthony Kiedis heeft zijn zoon als eerbetoon Everly genoemd.

In de jaren 50 gebruikten de Everlys Gibson J-200 gitaren. In 1962 ging de Gibson Guitar Corporation samenwerken met de broers om de Gibson Everly Brothers Flattop - een acoustische gitaar - te produceren.

Op dit moment heeft Phil zijn eigen muziekinstrumenten-accessoire bedrijf . De Everly Music Company produceerd producten ontworpen door Phil en Jason Everly, zijn oudste zoon.

laatste wijziging maart 2010