Jerry Reed

Jerry Reed Jerry Reed Hubbard is geboren op 20 Maart 1937 in Atlanta, Georgia als tweede kind van Robert en Cynthia Hubbard.

Onder zijn artiesten naam Jerry Reed werd hij bekend als zanger, gitarist, sessie muzikant en acteur.

Hij overleed op 31 augustus 2008 aan de gevolgen van emfyseem

De grootouders van Jerry leefden in Rockmart en Jerry ging als kind daar regelmatig naar toe. Volgens verhalen liep hij op jonge leeftijd  rond met zijn net gekregen gitaar, alsmaar roepend “Ik wordt een ster, ik ga naar Nashville wordt een ster”. Zijn ouders gingen 4 maanden na zijn geboorte scheiden, en Jerry en zijn zuster brachten zeven jaar door in pleeghuizen. Pas op 7-jarige leeftijd ging hij weer bij zijn moeder – en stiefvader – wonen. Muziek en  improviseren hielpen het gezin in deze moeilijke tijden op de been.

Toen hij naar High School ging was Jerry al druk bezig met muziek schrijven en maken. Toen hij 18 was, tekende hij een contract bij de uitgever en muziekproducer Bill Lowery. Daar nam hij zijn eerste plaat “If the Good Lord's Willing and the Creeks Don't Rise"  op. Bij Capital Records nam hij nog een paar singles op, zowel in de country als rockabilly stijl, maar zonder al te veel succes. Tot het moment dat Gene Vincent – die bij hetzelfde label zat – in 1958 het door Jerry geschreven Crazy Legs” opnam.  In datzelfde jaar 1958 tekende Jerry weer bij Lowery een contract zowel als zanger als componist, maar nu voor zijn maatschappij The National Recording Corporation.

Ook persoonlijk ging het voor de wind. Hij ontmoette Priscille Mitchell, en trouwde met haar in 1959. Ze kregen twee dochters, de tweeling Charlotte Elaine en Seidina Ann.

Nadat hij twee jaar in het leger had gezeten verhuisde de familie in 1961 naar Nashville om daar verder te werken aan zijn carriere. Een carriere die trouwens in zijn dienstijd  een flinke push had gekregen doordat Brenda Lee het door hem gescheven "That's All You Got to Do" in 1960 had opgenomen. Hij werd daar een populaire sessie- en tourgitarist.
In 1962 scoorde hij met "Goodnight Irene" en "Hully Gully Guitar" die door Chet Atkins werden opgenomen. Diezelfde Chet Atkins zou later Jerry’s single "If I Don't Live Up to It" produceren.

In 1967 kreeg Jerry zijn eerste echte hit in de Country charts met “Guitar Man”, een nummer dat later vooral bekend zou worden in de coverversie van Elvis Presley. Elvis moest in 1967 een album opnemen en hoorde “Guitar man”. Zijn producer kwam naar Jerry en vertelde hem dat het nummer hetzelfde moest klinken als de single van Jerry, maar dat dat niet lukte. Hierop zei Jerry “dan moet je mij gewoon inhuren als gitarist, want ik speel anders gitaar dan jullie studiomuzikanten”. Zo werd Jerry ingehuurd voor het intro, en dat resulteerde in een aantal opnames van Elvis waar Jerry op mee speelde, zoals “U.S. mail” een ander nummer dat Jerry geschreven had.  Nadien nam Jerry Reed een Elvis tribute single op “"Tupelo Mississippi Flash", wat zijn eerste top 20 hit werd. Elvis zou daarna nog een aantal andere nummers van Jerry Reed opnemen, waaronder  "A Thing Called Love" (vooral bekend geworden door Johnny Cash)  in 1971 en "Talk About The Good Times" in 1973.

Na de release van “Amos Moses” in 1970 (een nummer met verschillende stijlen zoals country, cajun en rock)  dat de 8e positie bereikte, bracht Jerry samen met Chet Atkins het album “Me and Jerry” uit.  In dat jaar was hij regelmatig te gast bij Glenn Campbell’s Goodtime hour.

In 1971 bracht hij zijn grootste hit "When You're Hot, You're Hot" uit. Dit werd ook de titelsong van zijn eerste solo-album dat de 9e plaats zou bereiken van de hitlijsten.

Een vervolgsamenwerking met Chet Atkins resulteerde in het album “Me and Chet”. Een jaar later (in 1972) had hij zijn tweede nummer 1 hit met "Lord, Mr. Ford" (een nummer geschreven door Dick Feller).

Chet Atkins was van mening – hoewel Jerry er anders over dacht – dat Jerry een betere gitaarspeler was dan hij zelf, en vroeg hem om hem bij te staan op zijn komende solo-albums. Dit resulteerde in de grootste hit van Chet Atkins namelijk “Yakety Axe”.

In 1972 was hij getekend te zien en te horen in de animatiefilm The new Scooby-Doo movies aflevering “The Phantom of the Country Music Hall". Hierin zong hij "Pretty Mary Sunlite". Dit nummer is ook de hele film te horen als Scooby-Doo de verdwenen gitaar aan het zoeken is.

In het midden van de jaren 70 ging Jerry zijn aandacht meer verleggen naar het acteren. In 1974 speelde hij met zijn vriend Burt Reynolds in “W.W. and the Dixie Dancekings” Terwijl hij aan het componeren was, speelde hij daarna in Gator, High Ballin en Hot Stuff. Ook speelde hij in alle drie de films van Smokey and the Bandit. De eerste uit deze serie bezorgde hem een grote hit met de titelsong  "East Bound and Down."

In 1976 begon hij met zijn Jerry Reed TV-show. Hij zou hier maar twee afleveringen van maken, met als gasten onder meer Tammy Wynette, Ray Stevens en Burt Reynolds.

In 1978 verscheen in de tv-show Alice, waarin hij zichzelf speelde.

In 1979 bracht hij het album Half & Half uit, gevolgd in hetzelfde jaar door een tribute-album voor Jim Groce. Ook was hij dat jaar te zien in de tv-film The concrete cowboys.

In 1982 blies hij zijn solo-carriere nieuw leven in met de hit "She Got the Goldmine (I Got the Shaft)," gevolgde door de nummer 2 hit "The Bird". Zijn laatste top tien hit stamt uit 1983, namellijk “I’m a slave”.  Hetzelfde jaar speelde hij mee in The Survivors.

In de jaren daarna tourde hij wat door Amerika (al dan niet met Chet Atkins), en verscheen hij in vele films, waaronder de grote hit Bat21.

Ook ging hij samenwerken met Waylon Jennings, Mel Tillis en Bobby Bare in de groep Old Dogs. In 1998 brachtten zij hun enige album uit met dezelfde titel.

In 2004 is zijn hit “Amos Moses” gebruikt in een computerspel, namelijk GTA:San Andreas. Zijn laatste opname dateert van 2006 namelijk “Let’s git it on”.

laatste wijziging januari 2010