Liz Anderson

Liz Anderson Liz Anderson is geboren als Elizabeth Jane Haaby op 13 Januari, 1930 in Roseau, Minnesota als dochter in een arm maar zeer religieus gezin. Op haar 8e verjaardag begon ze te spelen op de mandoline die het gezin in eigendom had, en kort daarna begon ze te spelen in lokale aangelegenheden, waarbij ze ook zong.

Toen ze 13 was verhuisde de familie naar Grand Forks, North Dakota. Op haar 16e trouwde ze met Casey Anderson en een jaar later beviel ze van een dochter Lynn. Casey moest dienst doen in het leger en kwam weer terug in 1951. Ze verhuisden naar Fair Oaks, California, waar Casey bij de luchtvaartschool ging werken. Om aan geld te komen, ging hij bijklussen als autoverkoper. Liz wilde weer gaan studeren, en deed dit in de avonduren terwijl ze overdag als secretaresse werkte.

In 1957 verhuisde de familie naar Sacramento, California, en begon Liz eigen nummers te schrijven. Casey was hulpsherrif, en hij werd verzocht met een team mee te doen aan de National centennial Pony Express Celebration. Casey overtuigde Liz ervan dat ze een nummer moest schrijven ter ere van de Pony Express. Het nummer werd uiteindelijk het officiële nummer van de Pony Express, en Liz kreeg de Medal of Honor.

Een van zijn kameraden – Jack McFadden – probeerde zelf als artiest van de grond te komen, en wist voor elkaar te krijgen dat Del Reeves een nummer van Liz ging opnemen, namelijk "I Watched You Walking". Later zou Del Reeves meerdere nummers van Liz opnemen, waaronder "Be Quiet Mind" en "I Don't Wonder".


Liz Anderson schreef ook "Pick of the Week" dat werd op genomen door Roy Drusky in 1964. Het nummer bereikte de top 15. In 1965 nam Merle Haggard haar nummer "All My Friends Are Gonna Be Strangers" op. Het succes hiervan maakte dat Liz Anderson één van de meest succesvolle schrijfsters werd. In totaal schreef ze meer dan 260 nummers gedurende haar loopbaan, en won ze ondermeer 5 BMI-awards. Vrijwel iedere succesvolle artiest uit het begin van de jaren 60 heeft wel een of meer nummers van haar opgenomen. Hieronder o.a. Charley Pride, Tammy Wynette, Ernest Tubb, Loretta Lynn, George Jones, Skeeter Davis, Waylon Jennings, Kitty Wells, Connie Smith en Bill Anderson.

Liz Anderson werd benaderd door RCA producer Chet Atkins.  Liz’s stijl van zingen beviel hem, en hij bood haar in 1966 een contract aan. Rond dezelfde tijd tekende haar dochter Lynn een contract bij Chart Records. De eerste twee singles van Liz deden niet veel, maar de derde opname – het nummer dat zij opnam met Bobby Bare en Norma Jean –"Game of Triangles" werd haar eerste top 5 hit. In april 1967 brak ze eindelijk echt door als solo-artiest, net hits als "Mama Spank", "Go Now Pay Later" , "The Wife of the Party" , "Thanks A Lot For Tryin' Anyway" en "Husband Hunting".

In die tijd brak ook haar enige kind Lynn door als country-zangeres, met het door haar moeder geschreven "Ride, Ride, Ride". Liz was ook verantwoordelijk voor de opvolger en haar eerste top 5 hit uit 1967 "If I Kiss You (Will You Go Away)" .
In 1968 namen ze een duet op dat de top 25 bereikte, namelijk "Mother May I". Lynn zou in de jaren 70 met name grote successen hebben.

De carriere van Liz begon te tanen in het begin van de jaren 70. Wel bleef ze succesvol als schrijfster, en zou ze later ook Vice President worden van de Nashville Songwriters Association International.

In de jaren 90 startte ze haar eigen label Showboat Records'. In 2006 nam dochter Lynn bij deze maatschappij een album op Cowgirl, op waarvan alle nummer door Liz geschreven zijn.

  Haar eigen website:

Op 27 oktober 2011 werd zij met hartproblemen en een verwaarloosde longontsteking opgenomen in het ziekenhuis in Nashville. Op 31 oktober 2011 overleed zij aan de gevolgen hiervan.

laatste wijziging november 2011