The Sons of the Pioneers
The Sons of the Pioneers zijn de eerste
groep in de westernmuziek die de vocale en
instrumentale vaardigheden combineerden. Niet alleen is het de groep die het
langste bestaat, ook was en is de groep nog steeds een voorbeeld voor vele
groepen
vanwege de sublieme harmonieuze zang en de hoge kwaliteit van hun werk.
De groep is ontstaan tijdens de Grote Depressie. Leonard Franklin Slye ging in
1931
vanuit Ohio naar California om daar werk te zoeken. Bij toeval deed hij mee aan
een
talentenjacht en een paar dagen later werd hij uitgenodigd om toe te treden tot
de
Rocky Mountaineers.
Hij zong, jodelde en speelde gitaar in de groep. Echter de groep wilde al heel
lang
met twee zangers werken en er werd een advertentie geplaatst.Op deze advertentie werd gereageerd door Bob Nolan (Robert Clarence Nobles).
Lang ging het goed, tot Nolan gefrustreerd raakte door het gebrek aan succes en
de groep verliet, en werd vervangen door Tim Spencer (Vernon Spencer).
In 1932 verlieten Slye, Spencer en Slumber Nichols de groep om voor zichzelf te
beginnen, hetgeen niet lukte.
Begin 1933 begon het er allemaal wat beter uit zien. Slye en Spencer besloten
nogmaals
Bob Nolan te benaderen en met zijn drieën begonnen ze het Pioneer trio. Slye
deed vooral
de vocalen, Nolan en Spencer begonnen de liedjes te schrijven.
The Pioneer Trio debuteerde op KFWB-radio met het nummer “Way out there”.
Een vierde lid was nodig om het geluid te vervolmaken, en zo kwam de violist
Hugh Farr (die ook een mooie volle bas-stem had) begin 1934 de groep versterken.
Per abuis werd de groep bij hun landelijke debuut aangekondigd als “The Sons of
the Pioneers”.
Op de vraag waarom de presentator dat had gedaan kregen ze als antwoord dat ze te jong
waren voor een pionier.
Omdat de reden hun wel aanstond en ze toch niet langer een trio waren besloten
ze deze naam te handhaven
Hun roem breidde zich heel snel uit, en zo tekenden ze al snel een
platencontract bij Decca.
In de eerste twee jaren zouden ze 32 nummers opnemen.
Een van de nummers was “Tumbling Tumbleweeds”, een nummer dat Nolan al in 1932
had geschreven
onder de titel “Tumbling Leaves”. Dit nummer is in 1935 gebruikt voor een film
met Gene Autry.
Dit was de eerste – maar niet de laatste – keer dat de paden van de Pioneers en Autry
zich zouden kruisen.
In 1935 trad Hugh Farr's broer Karl toe tot de groep.
Tim Spencer verliet de groep in september 1936 en werd vervangen door Lloyd
Perryman die al
eerder was ingevallen als het nodig was. Perryman zou later steeds belangrijker
worden voor de groep.
Zo deed hij de leading-vocals, de aankondigingen en later ook alle zakelijke
beslommeringen.
Uiteindelijk zou hij 41 jaar bij de groep blijven.
Na hun fimdebuut in Autry’s film “The old corral at the Republic” kregen ze in
1937 een filmcontract
aangeboden door Columbia.
De films zorgden voor de volgende grote verandering. Slye had al eerder kleine
rolletjes gespeeld onder
de naam Dick Weston. Toen in 1938 Autry plotseling verhinderd was, deed hij
auditie voor de hoofdrol
en kreeg die ook toegewezen. Hij veranderde zijn naam in
Roy Rogers. Door zijn
filmrollen was hij genoodzaakt
de groep te verlaten en hij werd vervangen door Pat Brady.
De groep bleef succesvol met het maken van platen en filmmuziek.
Brady was wat minder krachtig van stem dan de anderen en dus werd er gezocht
naar een extra zanger. En
Tim Spencer keerde terug in de groep.
Tussen 1937 en 1941 zou de groep in 48 films te horen zijn.
Deze samenstelling van de groep ( Nolan, Spencer, Perryman, de Farrs en Brady),
zou de geschiedenis
ingaan als de "classic" samenstelling van de Pioneers.
De tweede wereldoorlog zorgde voor de volgende verandering in de samenstelling.
Perryman en Brady
moesten dienst doen en zij warden vervangen door Ken Carson en (George) Shug
Fisher.
In 1944 tekenden the Sons of the Pioneers een contract bij RCA-Victor. Op een
korte onderbreking na
zouden zij 24 jaar bij dit label blijven.
In deze periode namen zij ook nieuwe versies op van hun eerdere hits als “Cool
Water" en
"Tumbling Tumbleweeds". Met de nieuwe arrangementen spraken zij ook weer een
nieuw publiek aan en de
successen bleven groeien. Ook namen zij in de jaren 40 enkele gospels op. Tevens
namen zij een aantal meer
Western-gerichte nummers op, waaronder Stan Jones's "(Ghost) Riders in the Sky".
Bob Nolan wilde het nummer oorspronkelijk niet opnemen, maar nadat Vaughn Monroe
er een hit mee scoorde
besloten ze het nummer toch op te nemen.
Perryman keerde terug in de groep in 1946, Pat Brady iets later dat jaar.
Hierna kwamen de gouden jaren voor de groep en met hits als "Stars and Stripes on
Iwo Jima" (1945),
"No One to Cry To" (1946), "Baby Doll," "Cool Water," en "Tear Drops In My Heart"
(allen top 5 in 1947),
"Tumbling Tumbleweeds ( zie de clip hieronder)" and "Cool Water" (1948), "My Best To You" and "Room Full
Of Roses" (1949)
beheersten zij de Country-hitlijsten.
Deze successen hadden een keerzijde en eisten hun tol.
Spencer, verliet de groep in 1949 na problemen met zijn stem. Hij werd vervangen
door Ken Curtis.
Als afscheidskado schreef Spencer een van zijn beste nummers "Room Full of Roses,"
de eerste opname
van Curtis.
Kort daarna benaderde Roy Rogers Brady voor een vaste rol in zijn
televisieserie. Brady werd vervangen
door Fisher die hem ook al in de oorlog had vervangen.
Maar de grootste verandering binnen de groep was het vertrek van Bob Nolan, die
het na 16 jaar Pioneers om
persoonlijke redenen voor gezien hield. Perryman zocht en vond een vervanger in
Tommy Doss. Doss was een
prima zanger en ook sloot zijn stem zeer goed aan bij die van Perryman en
Curtis. Toch kwam er een kentering
in de populairiteit.
RCA probeerde het tij te keren door ze meer pop-nummers te laten zingen, maar
zonder succes. Wel verloren zij
hiermee een groot deel van de country-aanhangers.
In 1952 verlieten Curtis en Fisher de groep om mee te gaan spleen in
televisieseries. Zij werden vervangen
door Dale Warren en Deuce Spriggens (George R. Braunsdorf).
In 1955 wilde RCA dat zij toch weer terug zouden gaan naar de oude Bob Nolan/Tim
Spencer-sound. Nolan wilde
wel weer met de groep gaan opnemen, maar Spencer’s gezondheidstoestand liet zijn
terugkeer niet toe. Ken Curtis
werd toen gevraagd om in de studio mee te doen met de opnamen. Ook Pat Brady
kwam als studiomuzikant terug.
The Sons of the Pioneers werden in feite twee groepen. Nolan, Perryman en Curtis
waren het
studio-trio (met op de achtergrond Brady, Hugh en Karl Farr) die de klassiekers
opnamen,
terwijl Perryman, Doss, Warren, de Farrs, en Spriggens (die weer snel de groep
zou verlaten) de concerten
voor hun rekening namen. Dit duurde tot 1958, daarna ging het concertdeel ook
weer de opnamen maken.
Tegen die tijd waren er weer veranderingen in de groep. Nolan stopte definitief
en ook Hugh Farr
(die vond dat zijn vioolspel niet gewaardeerd werd door zijn collega’s) verliet
de groep.
Karl Farr bleef wel in de groep, maar op 20 september 1961 raakte hij zo
gefrustreerd over een
gebroken gitaarsnaar dat hij tijdens een optreden een fatale hartaanval kreeg.
Hij werd dezelfde
maand nog vervangen door Roy Lanham. Pat Brady keerde ook weer terug om Shug
Fisher te vervangen.
Brady zou bij de groep blijven tot 1967.
In 1963 besloot Tommy Doss te stoppen met touren en alleen nog mee te doen met
de studio-opnamen
(dat bleef hij doen tot 1967).
In 1968 kwam Luther Nallie bij de groep, en hij zou blijven tot 1974.
Bob Nolan en Tim Spencer zijn beide gekozen toe te treden tot de Nashville
Songwriter Hall of Fame in 1971.
Een reünie in
1972 bracht de meeste nog levende ex-leden (behalve Ken Curtis) samen.
In 1976 werden the Sons of the Pioneers geïntroduceerd in the Country Music Hall
of Fame.
Dit was het laatste eerbetoon aan de oorspronkelijke Pioneers.
Tim Spencer overleed op 27 april 1976, Lloyd Perryman op 31 mei 1977. Hugh Farr
op 17 april 1980, en Bob Nolan op 16 juni 1980.
De tot nu laatste samenstelling van The Sons of the Pioneers (2007) is:
Rusty Richards, Doye O'Dell, Billy Armstrong, Billy Liebert en Rome Johnson.
laatste wijziging januari 2010